Getuigenissen van jongeren tijdens de Jongerendag «MISSING YOU»
zaterdag 22 november 2008 in CC De Romaanse Poort te Leuven

Els

Ik ben Els, ik ben 18 en studeer leerkracht lager onderwijs aan de EHSAL in Brussel. Ik zit ook op kot in Brussel en leer daar op eigen benen te staan. Wat vrij goed lukt.
Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 1 jaar was. Dus zelf herinner ik mij daar niet veel meer van. Mijn broer was toen 6 jaar, dus hij heeft meer onder deze scheiding geleden. 
Aan die scheiding zal het ook gelegen hebben dat Steven, mijn broer, een moeilijk karakter ontwikkelde. Mijn moeder kon hem amper de baas. En zo gebeurde het dat toen hij 15 was, hij bij mijn tante en nonkel ging wonen. Daar ging het wat beter, hij miste gewoon de strenge vadershand.
Steven en ik schelen 5 jaar. Ik was dus 10 toen Steven verhuisde. Hij was mijn grote stoere broer en ik heb altijd super veel naar hem opgekeken. Maar nu zag ik hem nog amper... Ik bleef helemaal alleen over en was dus genoodzaakt om veel op mijzelf te spelen.
Toen ik 12 was heeft mijn moeder een man leren kennen. We verhuisden en Steven ging ook mee. Ik was dolgelukkig dat ik eindelijk terug herenigd werd met mijn broer. Maar het liep daar helemaal niet zoals het hoorde.
Maar ik heb er wel 1 positief ding meegemaakt, Steven en ik zijn daar super hard naar elkaar gegroeid. We hadden elkaar nodig om ons te verdedigen tegenover hem. Steven werd daar mijn beste vriend en hij had ook veel aan mij.
Op een zaterdagavond, 13 maart 2004 was er bezoek voor mijn moeder, een oude schoolvriendin. Dat interesseerde mij niet, dus ik ging wat op de computer werken. Steven ging uit met vrienden en had zich klaargemaakt om te vertrekken. Hij ging iedereen dag zeggen. Bij mij bleef hij super lang staan, zonder iets te zeggen. Hij keek naar wat ik aan het doen was. Ik draaide mij om en vroeg waarom hij niets zei. En hij antwoordde dat hij gewoon aan het kijken was, niets speciaals. Ik heb nog vaak aan dit moment terug gedacht. Het gevoel dat ik toen in mijn buik had krijg ik nog steeds als ik er aan terug denk. Het was een voorgevoel. Het voelde goed en niet goed tegelijk. Het voelde aan alsof hij afscheid nam, maar onbewust dan wel.
Toen mijn moeder en ik aan het slapen waren, ging de bel. Het was 6u en ik dacht, Steven zal zijn sleutel vergeten zijn. Ik hoorde mijn moeder naar beneden gaan om open te doen. Dus ik bleef liggen. Ze trok de rolluik op, dat deed ze altijd om te zien wie er voor de deur stond. Toen ging de deur open en ik hoorde een lage mannenstem. Ik draaide mij gerust om, nog steeds in de overtuiging dat het Steven was.
Normaal gezien zou mijn moeder kwaad naar boven komen omdat ze zo midden in de nacht moest opstaan. Maar ze kwam niet, ze bleef beneden. Ik werd toch ongerust en ging ook naar beneden. Ik opende de deur en zag 2 politieagenten zitten. Ons ma zat rechtover hen en ze had betraande ogen. Ik vroeg meteen wat er gebeurd was.
De politie had het wat moeilijk om te vertellen, maar zei dat er een ongeluk was gebeurd en dat het vermoedelijk de auto van mijn broer was. Hoezo vermoedelijk? Dat kan je toch zeker weten? Was mijn reactie. Bleek dat het een zwaar ongeval was en dat de auto vuur had gevat, er bleef dus niet veel meer van over.
Ik vroeg hoe erg het met hem was, en in welk ziekenhuis hij lag zodat we hem konden gaan bezoeken. ‘Hij is gestorven in het ongeval’ klonk het. Ik stond daar met mijn mond vol tanden, mijn benen werden slap en moest vlug gaan zitten. Het eerste wat in mij opkwam was ongeloof, dit Kon niet waar zijn! Vervolgen was het woede, waarom Steven! Waarom ik? Ik ben naar de keuken gelopen en ben daar op kasten, muren en stoelen beginnen te slaan. Dit mocht niet waar zijn! Een politieman kwam achter mij gelopen en probeerde mij te kalmeren. Laat mij toch doen! Hij ging weg.
Ik heb meteen een bericht gestuurd naar mijn beste vriendin, mijn vriend en mijn papa. Ik wist niet hoe ik het moest verwoorden. Uiteindelijk stond er gewoon: Steven is dood!!! (met 3 uitroeptekens). Mijn papa belde meteen, want hij snapte het niet. 20 minuten later stond hij aan onze deur. Nog nooit had hij zo voor ons gesprongen, was mijn reactie toen.
Ik wilde naar de plaats van het ongeluk gaan maar ik mocht niet van de politie. Toen ik naar het nieuws keek zag ik beelden van het ongeluk. Van zijn auto die je helemaal niet meer herkende. De auto waar hij 3 jaar aan gewerkt heeft en zo fier op was. Die auto was zijn leven, maar heeft hem ook zijn leven ontnomen. Ik was zo kwaad dat de media beelden mocht nemen, daar wel mocht zijn. Terwijl ik, zijn zus daar niet mocht zijn! Oneerlijk was het allemaal.
De dagen na het ongeval waren een roes. Ik leefde op kalmeringspilletjes. Ik had het moeilijk met de voorbereiding van de begrafenis. Er werden liedjes voorgesteld die totaal niet bij Steven pasten. Maar ik werd niet gehoord. Wel mocht ik tijdens de begrafenis een gedicht voorlezen. Eén dat ik zelf had geschreven. Ook op zijn doodsprentje kwam een gedicht dat ik in die moeilijke dagen had geschreven.
Ik herinner me niet zo veel meer van de begrafenis. Ik was steeds naar de kist aan het staren en kon niet geloven dat Steven daar in lag. En dat hij straks voor eeuwig onder de grond zou verdwijnen. Ik heb geen afscheid kunnen nemen van Steven.  Dat vind ik echt spijtig. Ik vind het makkelijker om afscheid te nemen als je de persoon ZIET. Een jaar geleden is mijn grootvader overleden en ik heb hem nog gezien. Ik heb afscheid van hem kunnen nemen zoals het hoorde en heb onder dat verlies veel minder geleden. Hij was ook al een tijdje ziek en we wisten dat zijn tijd zou komen. Bij Steven was het onverwachts. Plotsklaps... Niets meer...
Steven is de nacht van zaterdag op zondag verongelukt. Maandag zat ik al op school. Er was een uitstap naar Brussel gepland en die wilde ik niet missen. Gewoon al om mijn gedachten te verzetten. Maar het eerste uur was er nog les, Nederlands, Poëzie. Gedichten over de dood. Ik ben de klas uitgelopen. Op de bus onderweg naar Brussel speelde het liedje Afscheid van Marco Borsato. Weer stortte ik in. De leerkracht heeft aan alle leerlingen verteld wat er was gebeurd en dat ze dus lief tegen mij moesten zijn. En dat waren ze ook. Ze stelden niet te veel vragen. Ik ben niet meer naar school geweest die week. De directrice en mijn klastitularis kwamen ook op bezoek en er werd besloten dat ik niet mee moest doen met de paasexamens.
Ook daarvoor ben ik hen heel dankbaar. Op het einde van het schooljaar moest ik me dan wel veel harder inzetten. Ik had super mooie resultaten, want ik deed het voor Steven. Zodat hij fier kon zijn op mij.
Maar het ging niet goed met mij. Ik had rugpijn, pijn aan mijn bekken, kniepijn. De oorzaak hiervan bleken mijn opgekropte gevoelens te zijn. Verdriet voornamelijk maar ook woede. Woede omdat ik Steven verloren was. Maar ik was ook boos op Steven zelf. Steven had mij beloofd om nooit te drinken als hij reed. Uit onderzoek bleek dat hij veel te veel gedronken had. Dat heeft mij zoveel pijn gedaan. Ik was zo kwaad op Steven dat hij gelogen had. Vooral dat hij zo stom was geweest en welke gevolgen het had.
Sinds de uitslag van dat onderzoek drink ik geen alcohol meer. Ik wil niet dezelfde stomme fout maken als Steven gemaakt heeft. Ik besef welke gevolgen dat kan hebben
Ik heb in het begin brieven naar Steven geschreven. Als verwerking... Ik wou contact houden met hem. Nu heb ik dat niet meer zo nodig. Soms heb ik wel nog zin om te schrijven, maar wegens tijdsgebrek moet ik die gedachte telkens opzij schuiven. Ik kan nu gewoon met hem praten. Dan wel niet luidop, maar al wat ik normaal tegen hem zou zeggen dat vertel ik nu nog. Ik ben er zeker van dat Steven hier nog is. Ik voel zijn aanwezigheid als ik hem nodig heb. Spijtig alleen dat ik hem niet kan zien. Ik zou hem zo graag nog is zien... Of hij veranderd is.
Maar dan zou ik liever nog 10 jaar wachten. Dan zou ik is in de toekomst willen kijken hoe het zou geweest zijn als hij nog leefde. Dan zou hij kinderen hebben en ik ook. Die zouden samen spelen en wij zouden elkaar veel zien. Ik heb daar vroeger, toen Steven nog leefde, vaak aan gedacht. Helaas is die droom kapot geprikt. Daar heb ik het nog altijd moeilijk mee. Ik zal Steven NOOIT meer zien. Die Nooit, dat is nog zo lang! Er komt geen einde aan... Niets om naar uit te kijken.
Toen ben ik voor de eerste keer naar de rouwavonden gegaan, 1 jaar na Steven zijn dood. Die avonden waren precies wat ik nodig had. Verschillende lotgenoten kwamen samen en vertelden elk hun verhaal. Je kon je gevoelens uiten en rustig praten met mensen die je begrijpen.
Als je verteld dat je broer verongelukt is weten de meeste mensen niet hoe ze moeten reageren. Ik vind dat ook normaal. Ik zou het zelf ook niet weten. Ik zou eigenlijk niet weten hoe ze zouden moeten reageren. Het zou pas raar zijn voor mij als ze niet geschrokken zouden zijn. Ik heb ook de periode bereikt dat ik er geen probleem meer mee heb om over Steven te praten. Ik doe het graag. Het is ook een soort van rouwproces voor mij.
Als ik aan Steven denk dan komen er heel veel herinneringen boven. Er is niet echt 1 die ik meer koester dan een andere. Maar ik heb een hele mooie foto van Steven en mij op het strand, waar hij mij ondersteboven vasthoud. Dat deed hij altijd met mij, gewoon om onnozel te doen. Zo liepen we dan door heel het huis. Maar ook de momenten in de garage waren leuk. Of toen ons achternichtje geboren was. Steven hield haar zo voorzichtig vast, bang om haar pijn te doen. Op die moment was er iets in mij dat zei: Steven gaat een goede papa worden. Helaas zal ik dat nooit weten.
Ik heb vooral uit de fouten van Steven geleerd. Maar hij heeft me ook geleerd dat als ik mij volledig voor iets inzet, dan kan ik dat ook bereiken. En om mezelf te zijn, hij was fier op mij. Dat heeft hij eens gezegd, en achteraf heb ik van andere mensen ook gehoord hoe fier hij op mij was.
In het begin was zijn verjaardag een moeilijke dag. Nu niet meer. Het is een feestdag, dat zou het vroeger toch zijn. Dus ik probeer die dag blij te zijn voor hem. De dag waarop hij overleden is blijft wel moeilijk. Maar waar ik het het moeilijkst mee heb zijn de feestdagen rond kerst en Nieuwjaar of familiefeesten. Telkens als je je goed aan het amuseren bent besef je dat Steven er normaal bij zou zijn. Dat hij zich nu ook aan het amuseren zou zijn, maar dat dat nu nooit meer lukt. Je voelt je dan schuldig tegenover hem. Maar hieraan probeer ik ook te werken. Ik weet dat Steven zou willen dat ik mij amuseer en niet pieker op dat moment. Dus dan probeer ik dat ook te doen, voor hem.
Het is raar om te zeggen, maar Steven geeft mij kracht om door te gaan. Ik heb het gevoel dat hij honderd procent achter mij staat. Dat hij het eens is met de toekomst die ik mij voor mijzelf voor ogen hou.
Ik wil mij in de toekomst nog veel inzetten voor initiatieven als deze. Omdat het zo een grote steun kan zijn voor jongeren. Het is nodig dat er ook eens naar de jongere geluisterd wordt. Ik had dikwijls het gevoel dat ik vergeten werd. Dat het zo erg is om uw zoon te verliezen. Ok, ik ontken dat niet. Maar vergeet toch alstublieft niet hoe erg dat de broers of zussen daar onder kunnen leiden! Ik ben niet alleen mijn broer, maar ook mijn beste vriend en mijn toekomst verloren. Dat valt zeker ook niet te onderschatten!
Ik besef dat het opeens kan gedaan zijn. Daarom dat ik niet te zwaar probeer te tillen aan kleine dingen die tegenvallen. Ik heb dus leren relativeren. Ook op school zet ik mij 100% in, want dat is de basis van mijn toekomst. En Ik probeer nu van elke dag te genieten.


Eline

Mijn naam is Eline en ik ben bijna 18 jaar. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 2 jaar oud was. Ik heb geen herinneringen van ons gezin allemaal samen. Ik ben opgegroeid in co-ouderschap. De ene week bij mama en de andere bij papa. En wat je niet kent, mis je ook niet, dus ik en mijn grote broer Pieter hadden geen problemen met deze situatie.
Maar voor onze ouders zal het wel wat moeilijker gelegen hebben. Zij waren immers terug single. Mijn vader had geloof ik geluk, die had al snel weer in vaste relatie. Maar mama hield het nooit lang uit bij iemand. Totdat ze Erik leerde kennen. Dit was menens. Dit was echte liefde. En ondanks het feit dat  hij ook gescheiden was met 3 kinderen, besloten ze samen te gaan wonen. Achteraf gezien hadden ze dat beter niet gedaan. Het was gewoonweg te veel met 5 kinderen, 2 ex’en en allebei een drukke job.
Toen ook die relatie stukliep, begon de ellende in  ons gezin. Mama was depressief, ze dronk te veel en ze was verslaafd aan slaappillen, antidepressiva . Ondertussen moesten we nog eens 2 keer verhuizen, verloor mama haar job en kwamen we niet met de uitkering rond .
Nu besef ik dat haar zelfdoding er duidelijk zat aan te komen, ze had immers al meerdere pogingen ondernomen. Maar voor een meisje van 14 ligt dat net iets anders. Ik had haar dan wel op de badkamervloer gevonden met overal bloedsporen en duidelijke wonden aan haar polsen, maar in mijn ogen had ze gewoon met haar wijn gemorst.
1 mei was het, in 2005. Ik was die dag met haar naar de opendeur van mijn school geweest. Het was zo’n veelbelovende dag: goed weer en zo te zien had mama ook een goed humeur. Maar haar goede bui sloeg volledig om  toen ze de dochter van haar ex Erik tegenkwam. Ze begon dat meisje te onderwerpen aan een verhoor over haar vader, en ik werd slecht gezind op haar. Dat meisje had immers helemaal geen schuld en toch werd ze zo aangevallen. De rest van de dag ben ik afstandelijk en koel gebleven tegenover haar. Jullie zullen wel begrijpen hoeveel spijt ik daarvan heb. ’s Avonds heeft mama nog een heleboel telefoontjes gepleegd. Ze heeft nog aan iedereen gezegd wat ze wilde zeggen. Tegen ons zei ze nog dat ze van ons hield.
Ik zat tv te kijken, Star Academy,  het was 10 uur ofzo, en plots klopte de benedenbuurvrouw op de deur. Ze vroeg of mama thuis was, want de politie stond voor de deur. Ja zei ik natuurlijk, en ik ging haar zoeken. Maar ze was niet in de keuken, niet in haar kamer, niet in de living… Toen werd ik wel zenuwachtig. De buurvrouw ging een politieman halen en die moest voor de formaliteit nog eens ons  huis doorzoeken. Toen we haar niet vonden vroeg hij of ze een blauw topje aanhad en een lange rok. Ja dus. Dan wist hij waar ze was. Ze was van het dak ‘gevallen’. Ik wist niet hoe ik het moest vragen, of ze nog leefde of niet, maar ik heb het toch op de een of andere manier gedaan. Ik kon zien dat de politieman daar niet graag op antwoordde. Dat moest hij nog checken met de ambulanciers, zei hij. Dan moesten we Pieter gaan waarschuwen. Die sliep al en werd dus wakker met een politieman naast zijn bed. Wie uiteindelijk het fatale nieuws heeft verwoordt en hoe die persoon dat gedaan heeft, weet ik niet meer. Ondertussen bleef ik verbazend rationeel en zelfs emotieloos.. Ik blijf gewoon bezig: ik zet thee (waar ik niet eens van gedronken heb), ik leg een verklaring af voor de politie… Het leek alsof het niet goed doordrong wat er was gebeurd  Wat later zat ik samen met mijn broer met mijn vader in de auto op weg naar zijn huis…
De volgende dagen zijn een beetje voorbijgegaan in een waas. Ik herinner me niet hoe ik ze doorgekomen ben, ik veronderstel op  automatische piloot . Ik wilde zo snel mogelijk terug naar school, alhoewel ik er niet met mijn gedachten zou bijzijn . Gelukkig ben ik door een heleboel mensen goed opgevangen. Mijn titularis had de klas al voorbereid op het slechte nieuws en heeft me een hele tijd gesteund bij alles wat ik deed. Ook Luc Versteylen, de priester die papa nog kende van vroeger en die de mis heeft voorgedragen, hij heeft ons ongelooflijk geholpen toen. Er moesten zoveel beslissingen genomen worden en geregeld worden. Begraven of cremeren? Gelukkig waren mijn broer Pieter en ik het erover eens dat mama gecremeerd zou worden. Welke liedjes moesten gespeeld worden in de mis? Welke teksten gelezen? Hoe moest de doodsbrief eruit zien? En het doodsprentje? Welke foto zouden we gebruiken? Ondertussen ben ik mama nog gaan groeten. ‘Groeten’, een stomme uitdrukking vind ik persoonlijk; groeten doe je in het begin van een ontmoeting. Afscheid nemen is iets heel anders. Ik heb er geen spijt van dat ik haar nog heb gezien maar ik heb er ook geen baat bij gehad denk ik. Het was mama niet meer die daar lag. Toen heb ik voor het eerst heel hard moeten huilen en daar had ik behoefte aan.
De begrafenis, of wat ik er mij van herinner, was prachtig. We hebben er samen met Luc Versteylen, een niet  alledaagse en progressieve priester, een hele mooie dienst van gemaakt.. Er draaide muziek uit mama’s cd-collectie bij het binnenkomen in de kerk. Pieter heeft een zelfgeschreven tekst voorgelezen,  en haar beste vriendin las een hele brief voor. Ik heb niet gehuild in de mis, maar toen het mijn beurt was om een tekstje voor te lezen, kreeg ik het wel moeilijk. Daarna heb ik samen met  Pieter de rouwprentjes uitgedeeld. Ik ben blij dat we dat zelf hebben gedaan, alsof we zelf de herinnering aan mama zo letterlijk konden doorgeven. De koffietafel werd in de oude brouwerij van Luc Versteylen gehouden: een prachtige plek met een grote tuin. Het zorgde ervoor dat het een feest werd ter ere van mama ipv een triest gebeuren. Mijn hele klas was erbij en dat zorgde voor genoeg afleiding. Ik heb van hen  een reuze-knuffelbeer gekregen die een t-shirt aanheeft met al hun namen op. Die knuffel is de enige die nog altijd op mijn bed zit.
Na de drukte van de begrafenis en de dagen en weken daarna, gaat het leven weer gewoon verder. Of zo lijkt het toch. Maar hoe kon ik gewoon verder leven wanneer je mama dat niet meer doet? Ik draaide wel terug mee in de routine van alledag, maar de tijd was toch blijven stilstaan voor mij. Het leek alsof ik nergens meer thuishoorde: op school voelde ik mij ineens veel ouder dan mijn klasgenootjes en kon ik moeilijk praten over wat er in mij omging. Bovendien kreeg ik op het einde van het schooljaar een B-attest en moest ik van richting veranderen. Op zich vond ik het niet zo erg en gelukkig kwam ik met een vriendin in de klas te zitten  met wie ik goed kon babbelen en die emotioneel gezien ook volwassener leek dan de rest. Zij was een houvast voor me in een heel moeilijke en verwarrende periode. In de eerste plaats was ik natuurlijk verdrietig, maar dat verdriet ging vaak gepaard met schuldgevoelens of boosheid naar mama toe. Ze had ons immers in de steek gelaten. Op andere momenten was ik dan weer opgelucht dat haar lijdensweg tenminste geëindigd was. Soms had ik het gevoel dat mama niet om ons gegeven moet hebben, wie laat er anders zomaar z’n kinderen achter? ‘Jullie verdienen zoveel meer’ stond er in haar afscheidsbrief. Maar als we méér dan dat verdienden, waarom pakte ze dan datgene wat we wel hadden af? In een zwakkere periode ben ik beginnen roken. Het was ‘cool’ en iedereen deed het. Soms gaf ik dan mama de schuld. Als ik me slecht voelde, begon tegen haar te praten en zei ik dingen als ‘had dan geen zelfmoord gepleegd he, dan zou ik nu niet roken’. Ik uitte mijn frustratie en woede op die manier. Maar ik heb me ook zelf heel schuldig gevoeld. Ik had het moeten zien aankomen. Ik had niet zo boos moeten worden die dag. Ik had haar nog een knuffel moeten geven. Maar zo kan je blijven piekeren natuurlijk. Als dit, als dat. Nu besef ik gelukkig dat niemand schuld heeft aan wat er gebeurd is, en dat mama al zo ver in die vicieuze cirkel van depressie zat, dat ze het vroeg of laat toch opnieuw zou hebben geprobeerd. Ik probeer me nu op te trekken aan de gedachte dat ze eindelijk terug gelukkig kan zijn en rust heeft gevonden.
Ik ben op veel verschillende manieren omgegaan met mijn verlies. Ik ben regelmatig naar een therapeute gegaan, een fantastische vrouw die me heeft kunnen uitleggen wat er gebeurd was met mama en wat er op dat moment gebeurde met mij. Ik kon met haar over mama  praten, over mijn verdriet, maar ook over mijn dromen en verwachtingen, mijn twijfels en angsten, echt over alles. Zo’n jaar geleden heb ik besloten dat ik verder kan zonder die gesprekken. Ze heeft veel voor me betekend maar ik vond dat het tijd was om terug op eigen benen te gaan staan.
Daarnaast heb ik ook nog een rouwgroep gevolgd in Lier. Dat kan ik echt iedereen aanraden. Het waren 5 avonden dat je in kleine groep samenkomt en elke avond is er een ander thema. Je vertelt over wie je hebt verloren en hoe, over de reacties van de anderen, over de plaats die deze persoon vroeger en nu innam in je leven… Ik herkende veel in de verhalen van de anderen en het deed deugd om te horen dat je niet alleen bent.
En tenslotte hebben mijn papa, mijn broer en ik een interview gegeven in De Morgen over wat er met mama gebeurd was, nog geen jaar na haar overlijden. Alles nog eens oprakelen en vertellen was soms moeilijk maar het resultaat was het waard. Nu kon ik gewoon alles nalezen en stond de wirwar van herinneringen ordelijk op papier.
Ik mis mama nog steeds, ik kan nog altijd soms ongelooflijk hard huilen om haar. En er zijn al zoveel dingen gebeurd in die 3,5  jaar waar zij eigenlijk bij had moeten zijn. Ik heb haar nooit aan mijn eerste vriendje kunnen voorstellen. Mama heeft nooit mijn nieuwe kamer gezien toen we verhuisden. Ze was er niet bij op mijn proclamatie. Maar ik weet zeker dat ze er op haar eigen manier toch bij was. Ze was erbij in mijn hart en in mijn gedachten. Ze heeft me eigenlijk nooit verlaten.
Veel herinneringen ben ik al kwijt, maar wat ik vooral zal blijven onthouden is het gevoel dat ze me gaf. Geborgenheid, weten dat er van je gehouden wordt, weten dat er iemand altijd naar je zal luisteren en je zal begrijpen. Dat is mijn mama, dat gevoel, en dat zal ik nooit kwijtraken.
Ik ben blij dat ik hier mocht getuigen voor jullie, omdat  ik op die manier mama altijd in het heden kan blijven houden. Ik schrijf ook soms gedichten over haar en over mijn verlies Ik probeer creatief bezig te zijn om mijn verdriet te uiten en er zo voor te zorgen dat mama méér is dan een herinnering, ze speelt nog altijd actief mee in mijn leven, ze is een belangrijk deel van mezelf en dat zal ze altijd blijven.


Astrid

Ik werd geboren op 30 januari 1979 te Brugge. Anderhalf jaar later kreeg ik er een broertje bij, Bruno was zijn naam. Het was van het begin af een zeer levendig ventje. Meermaals hoorde ik mijn mama vertellen dat hij in tegenstelling tot mij, niet zo’n rustige baby was. Zo was hij steeds vroeg wakker en toen moest iedereen maar wakker zijn!
We speelden veel samen maar maakten ook veel ruzie. Behalve op straat, daar vormden we steeds een team ten opzichte van andere kinderen. Wij onderling mochten ruzie maken maar niemand anders met één van ons beiden.
Qua karakter waren we zeer verschillend. Ik deed van begin af mijn best op school maar hij veel minder, hij kwam zeer dikwijls met een slecht rapport thuis en kreeg vaak straf op school. Mijn ouders deden er alles aan om hem tussen de lijntjes te doen lopen en beter te doen studeren. Hun aanpak wierp wel zijn vruchten af!
En dan is er nog dit, een niet onbelangrijk trekje van hem, hij was van kleins af aan soms een echte waaghals. Hij kende geen gevaren, had veel durf en deed ons hartje vaak stilstaan. Hier volgen enkele voorbeelden: Toen hij slechts enkele jaren oud was rende hij opeens zomaar een drukke drievaksbaan op. Mama hoorde opeens piepende banden van een auto die heel hard moest  remmen. Mijn broertje stond er vlak voor…’stoute auto’ zo zei hij. Vervolgens beslisten mijn ouders om hem bij uitstapjes aan een soort leibandje voor kinderen te houden.
Toen hij nog net geen negen jaar was, sprong hij in een zwembad in Portugal van een duiktoren, hoogte: tien meter!
Later toen hij achttien jaar was sprong hij in de zomer met enkele vrienden van een hoge brug in het kanaal. Dit was volgens hem zonder risico’s… .
Toen hij zijn voorlaatste zomer thuis kwam van een weekendje Ardennen met zijn klasgenoten van het KHBO had hij  verschillende  schaafwonden en een barst in zijn knie. Hij was gevallen toen hij met een skateboard achteraan een auto had gehangen…En zo kan ik nog even doorgaan met typerende voorbeelden, maar helaas, zijn lef en gebrekkig inzicht in gevaren werden zijn dood. Bruno zal altijd 21 jaar blijven.
Op zaterdagmorgen 23 maart 2002 was ik alleen thuis. Ik zat in mijn laatste jaar rechten,  op kot in Gent. Mijn broer zat eveneens op kot, in Brussel. Hij volgde een postgraduaat journalistiek aan de vlekho. Eindelijk had hij zijn dada gevonden, journalistiek en hij studeerde als nooit tevoren! In het weekend kwamen wij steeds naar huis. Het weekend van 23 maart 2002, was hij echter op klasweekend in Blankenberge. Ik had nog, gezien de korte afstand, het weekend voordien al lachend gezegd ‘ah dan kun je eigenlijk naar huis komen slapen’!
Rond zeven uur was ik al wakker, bijzonder vroeg voor een student in het weekend. Ik stond even later op en ging fietsen. Omstreeks tien uur kreeg ik een oproep van de politie. Ze vroegen mij of ik naar huis kon komen en waar mijn ouders waren. Ik vond dit vreemd en vroeg of zij niet telefonisch konden zeggen waarover het ging. Plots kreeg ik een zeer slecht gevoel en werd bang. Ik realiseerde mij dat ze hadden gezegd ‘politie Blankenberge’. Ze zeiden heel vriendelijk dat het echt wel beter was dat ik onmiddellijk naar huis kwam en zij mij daar zouden opwachten.
Ik was  in paniek en voelde mij niet meer in staat om nog met de fiets te rijden. Ik hoopte dat mijn broer iets had uitgespookt maar diep van binnen voelde ik dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Ik belde mijn vriendin om te vragen of zij mij onmiddellijk met de auto kon ophalen en naar huis brengen. Een half uur later kwamen wij aan bij mij thuis. De politiemannen kwamen binnen en vroegen mij of ik mijn broer had gezien die morgen. Ik antwoordde dat ik alleen thuis was maar ging voor alle zekerheid toch eens kijken in zijn kamer. Hij was er niet.
De politieambtenaren vertelden mij, vermoedelijk, zijn kleren, portefeuille en gsm te hebben gevonden op het staketsel van Blankenberge. De reddingsdiensten en een helikopter hadden een zoekactie in het zeewater uitgevoerd maar niemand gevonden. Ook in de jeugdherberg was hij niet aangekomen. Met andere woorden hij was ‘vermist’. Ik begreep meteen en zag het zo voor mij, dat hij een duik had willen nemen in zee.
De politie-inspecteurs vroegen mij om mijn ouders te bellen maar ik kon het niet. Hoe kon ik nou zo’n slecht nieuws overbrengen. Ik had er de moed niet voor. Ze vonden dit geen probleem en zouden hen zelf verwittigen. Ze vroegen mij wel om mee te komen naar het politiebureel in Blankenberge om de gevonden kledij te identificeren. Onze buren kwamen met mij mee naar Blankenberge. Ik had het gevoel in een nachtmerrie te leven. Dit kon toch niet waar zijn!
De gevonden kledij betrof inderdaad de kledij van mijn broer. Het sprak voor zich dat hij weer eens impulsief was geweest en niet had stilgestaan bij de mogelijke gevaren van het duiken in ijskoud zeewater. Het was die dag mooi weer maar de temperatuur van het zeewater bedroeg slechts zes graden…. Bovendien is er steeds een sterke stroming ter hoogte van het staketsel en naast het staketsel lag er een golfbreker onder het water.  De zoekactie was na twee uur stopgezet omwille van het feit dat niemand twee uur in dergelijk koud water kan overleven.
Rond de middag kwamen mijn ouders aan op het bureau. De politie liet ons alleen en we huilden. Onze Bruno lag daar hoogstwaarschijnlijk in het ijskoude water.
Die namiddag gingen we samen met de politie naar de jeugdherberg in Blankenberge om er zijn vrienden op te zoeken. Ze zaten er verslagen bij. Mijn papa stelde voor om tot aan het staketsel te wandelen. De hele klas kwam vergezelde ons.
Tegen een uur of vijf gingen we terug naar huis. Wat had hij toch gedaan en hoe moesten wij nu verder. Ergens voelde ik wel wat kwaadheid. Hoe vaak was er gezegd, doe dit niet, doe dat niet, das gevaarlijk Bruno! Maar al te vaak lachte hij onze bezorgdheid weg.
Toen we thuis waren stroomde de familie toe. De hele avond hebben we samen gezeten en gehuild. Ook de volgende dagen kwamen vele vrienden op bezoek. Mijn ouders waren door de dokter thuis gezet en ik bleef weg van de unif. Ondertussen wachtten wij op een telefoontje van de politie. Ze hadden ons verteld dat de kans immers zeer groot was dat zijn lichaam enkele dagen later zou aanspoelen. Helaas de dagen gingen voorbij maar het ‘verlossende telefoontje’ kwam er niet. We besloten om na een drietal weken een dienst voor hem te houden. Er moest toch iets gedaan worden voor mijn broertje, ook al was zijn lichaam ver weg in zee.
De dienst die we voor hem hebben gehouden, daar zou hij fier op zijn geweest. De teksten die zijn vrienden, vroegere directeur enz. voor hem schreven waren echt prachtig. Een van zijn lievelingsliedjes ‘beautiful people’ werd live gezongen door een zanger. Het ging door merg en been. Er waren vele, vele mensen die zelfs na de dienst in rijen wachtten om ons te begroeten. ‘s Avonds was er nog een tweede dienst op het staketsel in Blankenberge, die volledig georganiseerd werd door zijn vrienden. Er werd een bloemenkrans met kaarsjes op het water gelaten door de reddingsdiensten. Ik ben zijn vrienden nog steeds heel dankbaar dat ze op zo’n mooie symbolische manier afscheid hebben genomen van mijn broer, hun vriend.
De maanden die volgden waren erg triest. Ik leefde niet maar werd geleefd. Alsof ik in een roes verkeerde. En je ziet iedereen rond je op straat, gelukkige mensen, maar daar hoor jij nu niet meer bij.
Slapen ging wel goed, want binnenin was ik doodmoe van verdriet. Ik zat in mijn laatste jaar rechte en ben er gelukkig toch in geslaagd nog eerste zit te behalen. Ik wou absoluut slagen en afstuderen, in de eerste plaats ook voor mijn ouders. Niet nog meer zorgen!
Toen de examens echter voorbij waren was ik leeg. Ik besloot geen vakantiewerk te doen maar rustig tot mijzelf te komen. Het was een eenzame en moeilijke periode.
Na de zomer besliste ik om de volgende winter met een skiorganisatie naar Frankrijk te gaan. Twee van Bruno’s vrienden deden dat en het leek me wel wat om ver weg van alles te zijn. Bovendien zag ik me nog niet direct te gaan werken. Het was achteraf gezien een goed idee. Overdag ging ik skiën en ‘s avonds moest ik activiteiten organiseren voor de gasten. Het was fijn om vele mensen te leren kennen en mijn zinnen wat te verzetten.
In februari 2004 kreeg ik onverwacht een telefoon van mijn eerste werkgever, ik kon er onmiddellijk beginnen voor onbepaalde duur. Ik stopte dan ook iets vroeger dan voorzien met de skireizen, gezien ik wist dat ik die kans niet mocht laten liggen en moest denken aan mijn toekomst.
Na die ontspannende tijd in Frankrijk was het moeilijk om mij terug aan te passen. Ik vertoefde terug in de reële wereld en helaas was ik ongeveer vier uur per dag onderweg, van en naar het werk. Ik woonde bovendien nog thuis en het was hard om mama en papa zo verdrietig te zien. Dit deed me zoveel pijn. Naast mijn broer had ik het gevoel mijn lieve, toffe, levenslustige ouders in zekere zin kwijt te zijn. Ook relaties lukten niet en vriendschappen liepen soms kapot. Ik was dan ook niet meer de Astrid van vóór 23 maart 2002. 
Anderhalf jaar later ging ik alleen wonen. Ik hield wel veel contact met mijn ouders met wie ik reeds altijd een goede band heb gehad en nog steeds heb. Wat mijzelf betreft, denk ik dat het een goede stap was om alleen te gaan wonen gezien ik hierdoor minder werd geconfronteerd met het verdriet van mijn ouders dat als een mes in mijn hart aanvoelde. Stilletjes aan voelde ik mij beter, stap voor stap.
Zes jaar later kan ik zeggen dat ik mij terug gelukkig voel. Een goed jaar geleden leerde ik mijn vriend kennen en onze relatie loopt op wieltjes. Ook mijn ouders zien hem graag. Als we bij mijn ouders gaan eten zit hij steeds om de plaats waar mijn boer zat. In zekere zin ben ik blij dat er nu geen lege plaats meer is aan de tafel, ook al is mijn broertje er niet meer en zal dit natuurlijk altijd pijn doen.
Ook met mijn ouders gaat het veel beter dan zes jaar geleden en dat is voor mij erg belangrijk, zeg maar het belangrijkste. We kunnen terug samen lachen en genieten ondanks het gemis.
De voorbije jaren hebben we veel steun aan Bruno’s beste vrienden gehad. Dieter en Stefanie komen nog steeds langs en er is een speciale band gegroeid. Stefanie is zelfs één van mijn hartsvriendinnen geworden. Zo zie je maar, vanuit het grootste verdriet kun je zelfs iets moois opbouwen!
Nog elke dag brand ik s’ avonds een kaarsje bij de foto van mijn broer. Helaas werd zijn lichaam nooit terug gevonden. Aan het staketsel hangt wel een gedenkplaatje maar veel ga ik er niet heen. Ik ga gewoon niet graag naar Blankenberge, ik wil er niet meer komen uitgezonderd op zijn verjaardag en telkens op 23 maart. Maar dat is niet erg want hij leeft in mijn hart en is hier, steeds bij mij!