Getuigenissen van jongeren tijdens de Jongerendag «MISSING YOU»
zaterdag 22 november 2003 in CC De Romaanse Poort te Leuven
Laura
Hoi , ik ben Laura, ik ben 29 jaar. Bijna 5 jaar geleden is mijn vriend Geert verongelukt. Wij woonden toen 2 en een half jaar samen in ons huisje dat wij zelf gebouwd hadden.
Op die bewuste donderdag avond in januari kwam ik thuis van het werk en Geert was nog niet thuis. Plots stonden mijn moeder en schoonzus bij mij met de mededeling dat we naar het ziekenhuis moesten ... Geert had een ongeluk gehad toen hij van het werk naar huis reed.
Eindelijk in het ziekenhuis aangekomen kreeg ik daar het verschrikkelijke nieuws te horen dat hij overleden was.
Wat er dan door je heen gaat … is niet te beschrijven.
Je bent buiten jezelf …
Er zijn bijgevolg ook heel veel dingen die ik me niet meer herinner.
Wat ik me nog wel herinner, is dat ik Geert toen niet mocht zien. Pas 2 dagen later heb ik hem kunnen zien.
Verschrikkelijk vond ik dat. Ik geloofde in die 2 dagen niet dat hij het was.
De daaropvolgende dagen kon ik zoveel en zo dikwijls als ik wou bij Geert zijn.
Het was heel moeilijk en ik heb heel veel gehuild. Maar als ik bij hem was, ging het altijd iets beter. Hij bracht mij precies een beetje tot rust.
Ik vertelde hem toen wat er nu allemaal met hem ging gebeuren. En dat hij niet bang moest zijn …
Ik had hem immers onze knuffelbeer meegegeven en ook een brief waarin ik hem vertelde hoe graag ik hem wel zag. Één exemplaar voor hem, en een ander identiek exemplaar voor mezelf. Zo hebben we elks voor altijd dezelfde brief.
Ik snap nu nog altijd niet hoe ik zo sterk heb kunnen zijn om die allerlaatste keer dat ik bij hem kon zijn, gewoon weg te kunnen gaan en te beseffen dat ik hem NOOIT meer zou zien.
Na de begrafenis … begint het pas. Dan begint het besef te groeien dat jij MOET verder leven … en dat nog wel zonder hem.
Ik moest ook verder zonder mijn schoonfamilie. Ze hebben mij het ongeluk verweten … “Het is mijn schuld dat de Geert dood is” zeiden ze ?? Ik was niet bij het ongeval aanwezig dus waarom ze het deden … weet ik nu nog altijd niet. Waarschijnlijk zochten ze een zondebok … en ik was een gemakkelijk slachtoffer.
Dit maakte het verlies en het verwerken van mijn verdriet alleen nog veel moeilijker. En daardoor groeide mijn schuldgevoelens nog meer.
En ik zat boordevol schuldgevoelens. Schuldgevoelens over van alles en nog wat … Ben ik wel lief genoeg geweest voor hem?
Heb ik niet te dikwijls ruzie gemaakt met hem?
Ben ik er wel genoeg geweest voor hem als hij mij nodig had? …
En ga zo maar door. In mijn gedachten had ik niks positiefs gedaan, alleen maar slechte dingen t.o.v. Geert.
Wat ik heel erg vind, is dat ik hem die bewuste ochtend geen kusje gegeven heb voor hij naar zijn werk vertrok. Waarom? …
Gewoon een samenloop van omstandigheden. Het was al laat, we waren gehaast en hup … hij was weg. “Tot straks” … maar die “straks” is nooit meer gekomen … Dit kon ik mezelf niet vergeven.
Dat schuldgevoel betert wel, maar nu is het op verdrietige momenten nog steeds heel moeilijk.
De eerste weken na de begrafenis komen er veel vrienden en familie langs. Ze luisteren naar je, ze laten merken dat ze er willen zijn voor je, en dat doet heel veel deugd.
Zo zijn er vrienden waar je enorm van verschiet in positieve zin.
Vrienden waar je niet zo “close” mee waard, die er echt dag en nacht voor je zijn. Waar ik gewoon mezelf bij kon zijn : ik kon er zowel bij huilen als bij lachen, mijn woede uiten en voor de zoveelste keer mijn verhaal kwijt.
Zulke mensen zijn goud waard en dat vergeet je nooit meer!
Spijtig genoeg zijn er ook mensen waarvan je dacht dat het vrienden waren die na een aantal maanden van je verwachten dat je terug “normaal” doet en gewoon verder leeft. Die mensen hoef ik niet meer.
Wanneer ze je in zo’n moeilijke periode laten links liggen … dat vergeet je ook nooit meer.
Voor hen gaat het leven immers gewoon verder.
Voor mij stond het stil. Mijn wereld was ingestort.
Er wordt ook onwennig gereageerd door mensen : moeten ze nu vragen hoe het met me gaat? Of juist zwijgen?
Zijn eerste verjaardag na zijn dood kreeg ik heel veel telefoontjes, smsjes … heel veel steun van veel verschillende mensen.
Zo ook op 28 januari, toen hij 1 jaar gestorven was. Dat doet echt goed … te weten dat hij niet vergeten is en dat er veel mensen mij een hart onder de riem willen steken tijdens deze 2 moeilijke periodes voor mij.
Maar ook dit vermindert. Elk jaar zijn er blijkbaar minder mensen die nog aan hem denken …, minder mensen die denken dat ik nog wat steun kan gebruiken. Dat doet pijn. Dan voel ik mij echt alleen.
Voor mij is het “stilzwijgen” echt verschrikkelijk.
Ik praat heel graag over Geert, over mijn verdriet en gemis … op die manier blijft hij toch nog een beetje bij mij.
Ik vind het echt onwaarschijnlijk erg dat er nu bijna niemand nooit nog iets over hem zegt. Precies of hij is ECHT weg. Dat kan ik moeilijk verdragen.
We zijn nu 5 jaar later, en ik ben gelukkig met Stef, mijn nieuwe partner.
Wat absoluut niets van mijn gemis doet verdwijnen … maar het maakt het voor mij wel draaglijker. Door dit alles ben ik enorm veranderd.
Ik ben veel emotioneler geworden dan vroeger. Ik praat over mijn gevoelens tegen iedereen.
Ook tegen Stef. Gelukkig kan ik met Stef. altijd praten over mijn gevoelens, mijn verdriet, mijn gemis van Geert.
Dit is voor mij echt noodzakelijk. Ik zou het niet aankunnen om nooit nog iets over Geert te mogen zeggen.
Guy leeft altijd in mijn gedachten mee … dus ook een stukje met mij en Stef. Zo heb ik thuis in de woonkamer een speciaal “hoekje van de Geert” : met zijn foto, kaarsjes, bloemetjes …
Ik vind het prachtig van Stef dat hij mij hierin zo goed helpt.
Want het gemis en de pijn is er nog altijd, alleen wat minder vaak dan in het begin.
Ik kan moeilijk beschrijven wat het met je doet …
Ik kan alleen zeggen dat het heel veel pijn doet.
Het is alsof er een kubus in mijn hart zit, die constant ronddraait.
In het begin zijn de hoeken heel scherp en doet het ronddraaien verschrikkelijk veel pijn.
Later slijten de hoeken wat af en wordt de pijn dus draaglijker.
Maar de kubus blijft voor de rest van mijn leven in mijn hart zitten.
Ik mis Geert bijna dagelijks ondanks dat ik nu toch terug gelukkig ben.
Michiel
Ik zat in het eerste middelbaar, twaalf jaar. De examens waren juist gedaan en een fijne paasvakantie stond voor de deur. Allez, dat dacht ik toch. ’s Morgens werd er aan deur gebeld. Het was de dokter en ik kon ook maar beter even meekomen. We reden naar het werk van mijn papa waar we te horen kregen dat hij in elkaar was gezakt door een hartaderbreuk. Er was niets meer aan te doen. Niet te begrijpen, papa was een sportman en liep nog halve marathons. Iemand die zo gezond leefde kon toch niet van de één op de andere dag dood gaan. De eerste weken waren vreemd. Maar al bij al ging het met mij nog niet zo slecht. Ik voelde me goed bij mijn vrienden en vriendinnen. Ik kon er niet goed over praten en als er iemand naar vroeg liet ik er niet zoveel over kwijt. Ik had precies niet zoveel de behoefte om erover te praten.
De ouders van een kameraad hebben wel eens sterk ernaar gevraagd. En op die momenten kon ik het wenen niet bedwingen. Dan kon ik er niet meer voor weg lopen. Ook toen ik eens bij kameraden in de tent bleef slapen ongeveer een half jaar na de dood van mijn papa heb ik eens de hele nacht moeten wenen omdat ze er naar vroegen. Voor de rest praatte ik er niet zo veel over.
Ik merkte dat ik het ook niet snel tegen iemand vertelde. Er zijn veel momenten dat het gebeurt dat ze vragen naar wat uw papa doet. Je wordt er voortdurend door geconfronteerd door kleine zaakjes. (Bv. Op school vragen ze wat je papa doet voor werk, als bij familie bent is hij de hij enige die ontbreekt, of als je afstudeert is hij er ook niet om je proficiat te wensen.) Soms zei ik dan gewoon niet dat mijn papa al overleden was. Gewoon om niemand ermee lastig te vallen, denk ik.
Als iemand van mijn medeleiders me vroeg hoe dat was om zonder papa verder te leven dan klapte ik meestal dicht en zei er niet veel over. Ik kwam een stok in mijn keel en dan zei ik niet meer veel daarover. Dus verkropte ik het maar verder.
Toen ik 18 was ging ik een jaar op uitwisseling in Venezuela. Ik leefde er terug in een gezin dat nog compleet was. Zonder het te beseffen had ik eigenlijk een heel sterke band met de papa van mijn gastgezin. Toen ik terugkwam had ik dat pas door. Toen ik terugkwam begon ik pas heel fel mijn papa te missen. Na 7 jaar. Ik realiseerde me toen pas hoeveel pijn het heeft gedaan. Nu begreep ik pas mijn zus die er het vroeger zo moeilijk mee had.
Stilletjes aan begon ik er makkelijker over te praten. Maar nog steeds zit het soms moeilijk. Maar ik durf er al over praten en dat doet me eigenlijk goed. Als je een klein stukje kan vertellen kan je voor een stuk je verdriet kwijt en slorpt het je niet volledig op.
Ik probeer ook enkele zaken die mijn papa in zijn leven deed ook te doen. Zo was mijn papa een jogger, een loper. Ikzelf doe dit ook heel graag en voel me op die momenten wat verbonden met mijn papa. Dat voelt goed aan.
Hoewel ik er op momenten beter over kan vertellen blijft het soms nog zwaar. Ik denk bijvoorbeeld aan sommige moeilijke dagen. Mijn papa is geboren op Kerstmis en gestorven op goede vrijdag. Kerstmis en Pasen zijn niet bepaald de leukste momenten.
Maar ik heb een schitterende herinnering aan mijn papa en is een van grootste voorbeelden in mijn leven. Op die manier voel ik soms dat hij er nog voor mij is.
Tinne
Verhaal:
Voor alle kinderen die een heel speciale ster aan de hemel hebben. (Ineke van Essen)
Het is een hele heldere nacht. De maan schijnt rond en glanzend in de vijver. Miljoenen sterren twinkelen aan de donkere hemel. En de hele wereld slaapt. Of toch niet? Aan de rand van de vijver zit een vrouw op een grote blauwe koffer. Ze heeft veertjes in haar haar. Naast haar ligt een kat te spinnen.
’Ben je nou nog niet klaar met schrijven?’ zegt de kat, terwijl hij zich eens lekker uitrekt. ‘Nee, ik begin net,’ zegt de vrouw met de veertjes.
’Wat schrijf je nou eigenlijk allemaal op in dat dikke boek van jou?’ vraagt de kat.
’Verhalen,’ zegt de vrouw, ‘heel bijzonder verhalen.’
’Aha’ zegt de kat, ‘sprookjes zeker, net als “De Gelaarsde kat”?’
’Nee, geen sprookjes,’ zegt de vrouw. ‘Deze verhalen zijn allemaal echt gebeurd. Het zijn levensverhalen. Van kinderen. Weet je nog hoe ik vaak met mijn grote blauwe koffer de deur uit ging?’
De kat slaat haastig zijn pootjes voor zijn oren. En of hij dat nog weet! Die koffer stond op een karretje. En dat maakte zoveel lawaai dat alle katten uit de buurt van schrik uit de dakgoot vielen als dat ding langs kwam rijden!
’Dan ging ik op reis door het hele land,’ zegt de vrouw onverstoorbaar. ‘Om te praten met wel dertig kinderen van wie een vader of een moeder is doodgegaan. Ze vertelden mij wat ze hadden meegemaakt. Ze deelden hun herinneringen en hun geheimen met mij. En ik stelde hen een heleboel vragen. Dat heet “onderzoek doen”. Want ik wilde graag weten hoe het is en wat je voelt als je vader of moeder is doodgegaan. Ik nam al die herinneringen en verhalen in de blauwe koffer mee naar huis. Want ik heb aan de kinderen beloofd daarover een boek te schrijven.’
De kat luistert ernstig. ‘Werd je daar niet verdrietig van?’ vraagt hij.
De vrouw kijkt hem een beetje verbaasd aan. ‘Verdrietig?’ Ze kijkt peinzend in de vijver.
’Ja, natuurlijk was het soms heel verdrietig. Maar tegelijk was het ook heel fijn. Want samen verdrietig zijn, of samen nadenken over de dood is toch fijner dan in eentje. Daardoor werd ik er eigenlijk juist heel blij van. En het waren hele leuke kinderen. We hebben ook veel gelachen hoor. En ze namen me mee naar hun lievelingplekjes. Ik ben echt een geluksvogel, dat al die kinderen mij wilden ontmoeten. Ik moet er nog heel vaak aan terugdenken.’
’Maar waarom zit je dan nu de hele tijd te zuchten en op je pen te kauwen?’ vraagt de kat verbaasd.
’Omdat ik nog nooit een boek geschreven heb,’ zucht de vrouw met de veertjes. ‘Ik vind het best moeilijk. En ik ben bang dat ik het niet kan. De kinderen hebben het mij zo mooi verteld. Ik weet niet zeker of ik het wel net zo mooi kan opschrijven.’
’Nou dat lijkt me toch niet zo moeilijk? Je schrijft gewoon op wat ze gezegd hebben.’ De kat moet nu zelf ook zuchten. Wat kunnen mensen toch ingewikkeld doen…
’Maar je begrijpt het niet,’ zegt de vrouw. ‘Het is niet alleen wat de kinderen mij met hun woorden hebben verteld. Er zijn zoveel meer manieren om te vertellen… Ze hebben met hun ogen verteld hoeveel ze hun ouder missen. Ze hebben met bewegingen laten zien hoe boos ze kunnen zijn. Ze hebben hun schatten en dierbare spulletjes laten zien. Daardoor begreep ik pas echt hoe ontzettend veel ze van hun ouders houden. En één traan zegt soms meer dan duizend woorden… Hoe moet ik dat nou allemaal opschrijven? Ik hoop maar dat ik goed genoeg geluisterd heb.’
’Je kunt niet meer dan je best doen,’ zegt de kat wijs. ‘En je wilt het toch graag?’
’Er is niets wat ik liever wil doen dan dit boek schrijven,’ zegt de vrouw met de veertjes, ‘maar ik zou best een beetje hulp kunnen gebruiken.’
Op dat moment spitst de kat zijn oren. Wat is dat voor en gefluister in de nacht? Het klinkt als belletjes in de verte en het ruisen van de wind. Maar er is geen rimpeltje te zien op de vijver. De vrouw lijkt niet te werken. Ze schrijft. Het duurt even voordat de kat doorheeft wat er gebeurt. Recht boven hen staat een groepje van zo’n dertig sterren. Ze zien er helderder uit dan alle andere sterren en het lijkt wel of ze op en neer dansen van opwinding. De kat schudt even met zijn kop. Hij kan bijna niet geloven wat hij meemaakt.
Een hele grote ster in het midden van het groepje fluistert blij: ‘Let op, het gaat over mijn dochter.’ Even later valt er wat sterrenstof op de letters die de vrouw net op dat moment opschrijft. Dan zien ze hoe de woorden tot leven komen op het papier. Een meisje van elf jaar danst, helemaal alleen, een Ierse dans op de begrafenis van haar vader. De andere sterren en de kat kijken sprakeloos toe. ‘Wat mooi,’ fluistert er één. ‘Wat dapper,’ zegt een ander. ‘Wauw!’ zegt de kat. ‘Ja,’ zegt de ster trots, ‘ze is mooi én dapper… Maar dat is nog lang niet alles. Ze kan ook heel goed toneelspelen. En ze is heel lief. En het fijnste is dat ze heel vaak aan mij denkt. Dat is nou mijn dochter.’ Alle sterren twinkelen van plezier.
Even later dwarrelt er weer wat sterrenstof naar beneden. Nu staat er een jongetje op van het papier. Hij is heel goed in sport. Ze zien hem voetballen en tennissen en bekers en medailles winnen. Een hele mooie, kleine ster begint te stralen en lijkt opeens drie keer zo groot. ‘Dat is mijn zoon,’ zegt ze ontroerd. Ze zien hoe de jongen een medaille neerlegt bij de foto van zijn mama. ‘Voor jou mam!’ zegt hij in zijn hart. Alle sterren worden er een beetje stil van. ‘Dat doet hij altijd als hij iets wint,’ zegt zijn moeder. ‘Bijzonder, hè?’
En zo gaat het nog een hele tijd door. Alle sterren strooien kwistig met hun sterrenstof. En zo wordt zichtbaar hoe hun kinderen verder zijn gegaan na het overlijden van hun papa of mama. Maar hoe al die overleden vaders en moeders nog steeds een héél belangrijke plaats hebben in het leven van hun kinderen.
’Wat een fijne en bijzondere en lieve en geweldige kinderen hebben wij, hè!’ fluistert het door de stille nacht. De sterren glimmen ervan. Het is echt een feestje in de hemel.
Als de vrouw met de veertjes die nacht haar schrift dichtslaat is ze wonderlijk blij. ‘Het schrijven ging opeens heel makkelijk vannacht,’ zegt ze tevreden. ‘Ik denk dat het wel gaat lukken.’
Ze leunt achterover en kijkt naar de sterrenhemel. Recht boven haar staat een groepje heel heldere sterren. Wel dertig bij elkaar. Is het nou verbeelding of zijn ze echt helderder dan alle ander sterren? Ze schitteren en flonkeren en lijken soms zelfs kleine sprongetjes te maken…
’Ik ben zo moe dat ik de sterren zie dansen,’ zegt de vrouw tegen de kat. ‘Ik ga maar lekker slapen.’
’Welterusten,’ zegt de kat. Terwijl hij zich oprolt denkt hij nog net: ‘Zo wil ik ook wel een boek schrijven…’
Getuigenis:
Ik was 19 jaar, nu bijna 2 jaar geleden, toen mijn moeder aan kanker is gestorven. Ik heb het ‘geluk’ gehad dat mijn omgeving, mijn moeder zelf en de rest van de familie, hier vlot over konden spreken. Zodat er sprake was van een ‘veilig klimaat’.
De eerste schooldag was voor mij heel moeilijk. Mijn moeder was begraven in het begin van de paasvakantie en gedurende twee weken had ik mijn klasgenoten niet meer gezien. Toen ik ’s maandags op school aankwam, was iedereen druk aan het vertellen over zijn vakantie. Ik heb me echt letterlijk in een hoekje geplaatst. Niemand bleek het blijkbaar op te merken. De eerste les die we maandag morgen hadden, was geschiedenis. Begint de leraar geschiedenis daar een hele ‘preek’ te geven over orde. Wat voor hem op dat moment zo belangrijk bleek te zijn. Ik wilde zo vlug mogelijk terug naar mijn ‘veilige’ thuis. Waar niemand het in zijn hoofd haalde om ‘orde’ als belangrijkste onderwerp van de dag naar voor te brengen.
Niet enkel in die leraar was ik teleurgesteld, maar vooral in mijn klasgenoten. Die klasgenoten waar ik tegen verteld had dat mijn moeder terminaal was en ik daarom niet meer naar school kwam. Die klasgenoten die bij mij waren op de bezinning waar ik het nieuws vernam dat de dokters opnieuw uitzaaiingen hadden ontdekt. Die klasgenoten die als een echte groep allemaal in de begrafenis van mijn moeder aanwezig waren… En net die klasgenoten die me blijkbaar geen steun konden bieden in deze moeilijke dagen.
Een leerkracht zag dat ik het moeilijk had en vroeg of ze iets kon doen. Toen heb ik gevraagd of ik de klas zelf eens mocht toespreken, omdat ik zo teleurgesteld in hen was. De volgende dag heb ik dus al mijn moed bij elkaar gehaald en mijn ‘zegje’ gedaan.
Ik heb het leven even vergeleken met een paardenmolen die op dat moment gewoon voor mijn ogen voorbij flitste en ik er niet vanzelf terug zou opgeraken. Zij moesten mij daar bij helpen! Zij moesten mij net aanmoedigen om de draad weer op te pakken en mij niet treurig staan laten toekijken hoe zij het ritme van de paardenmolen wel konden volgen. Zij moesten mij overtuigen om een andere wending te geven aan mijn leven, nu ons mamske er niet meer was.
Toen ik mijn ‘zegje’ had gedaan, was het stil. Het was raar te beseffen dat dit door mijn woorden kwam, maar het deed goed eens rust en stilte in die drukte van het school. Achteraf was ik heel blij dat ik het verteld heb. Ik kreeg, en krijg nog steeds steun wanneer ik het nodig had (heb) en ze begrepen me als ik vertelde dat ik er op sommige momenten liever niet over wilde praten.
En die steun is en blijft belangrijk! Zo kan een kaartje bij de sterfdatum van je moeder echt wonder doen, gewoonweg dat je weet dat je er niet alleen voorstaat. Op tijd eens een goede babbel doen als je er zin in hebt. In moeilijke periodes, zoals Kerstmis, een kerstkaartje met een tekst die recht uit het hart komt, is meer welkom dan een tekst zoals ‘Zalig Kerstfeest en Gelukkig Nieuwjaar’, waar je op dat moment toch niet veel aan hebt.
Na de eerst moeilijke momenten is er een periode gevolgd met vallen en opstaan. Het moeilijkste voor mij om te aanvaarden was dat iedereen bij ons thuis zijn vooruitgang had in zijn eigen rouwproces. Omdat ik de jongste thuis ben, ben ik toch steeds wel een beetje gespaard gebleven voor de ziekte van mijn moeder. Ook had ik er op mijn 16 jaar, toen mijn moeder ziek werd, geen besef van dat mijn moeder er op een dag wel eens niet meer kon zijn. Ik zat in de ‘fleur van mijn leven’ en had geen zin om deze te laten verhinderen door stil te staan bij de dood en afscheid nemen. Daardoor moest ik nog een langere weg afleggen in mijn rouwproces na de dood van mijn moeder. Mijn vader en oudere broer en zus hadden al een deel van deze weg afgelegd tijdens haar ziekte. Telkens ik een moeilijk moment had, voelde ik het grote verschil in ieder zijn rouwproces. Ik wilde me verplichten om sneller te gaan in dit rouwproces, wat een onmogelijke opdracht bleek te zijn. Zo werd het me pas heel duidelijk toen mijn vader een nieuwe relatie aanging. Mijn broer en zus hadden hier blijkbaar minder problemen mee. Maar ik kon dit moeilijk aanvaarden omdat ik het verlies van ons mamske nog geen plaatsje had kunnen geven. Maar door veel te praten met mijn vader en heel veel geduld te hebben, heb ik me hier ook doorheen geslagen.
Op een rouwproces kan men geen tijd plakken. Ik weet niet, ben ik al door mijn rouwproces? Ik zie alleen dat ik vorderingen maak. Bijvoorbeeld vroeger ging de 27ste , de sterfdatum van mijn moeder, van elke maand me nooit onopgemerkt en zonder veel moeilijkheden voorbij. Nu besef ik het vaak pas 2 dagen nadien, dat we de 27ste gepasseerd zijn.
Maar ook voor mij, na bijna 2 jaar, zijn er nog moeilijke momenten. De dag dat ik mijn diploma kreeg als leerkracht lager onderwijs, was voor mij heel zwaar. Dit was een dag waar ons mamske heel trots zou zijn geweest op mij en hier voelde ik dan ook meer dan ooit het gemis. Zij was zo trots op haar ‘juffrouwke’ en nu kon ze het niet meer zelf vertellen. Als je daarbij iedereen van je klas ziet met de trotse ‘ouders’ aan hun zij, ben je even boos. Waarom nou net ik?
Ook de dag dat ik thuis kwam van Ecuador. Ik had 3 maanden vrijwilligerswerk gedaan in Ecuador. Ik had zo veel te vertellen over mijn avonturen die ik ginder beleefd had. Ik was laaiend enthousiast over mijn ervaringen. En had dit tegen iedereen kunnen vertellen. Behalve dan net de persoon aan wie ik het ook dolgraag had willen vertellen. Dan bots je op die foto. Kan ik het nu enkel tegen die foto vertellen, die hier al zo lang zo onveranderd staat? Moet ik het nu op je graf komen vertellen, waar ik net dezelfde foto vind?...
Met deze vragen en moeilijke momenten zal ik nog vaak geconfronteerd worden. Maar ik weet dat er altijd mensen zijn op wie ik kan terug vallen. En deze mensen en de mooie herinneringen die ik koester, maken de pijn dragelijk.
Getuigenis:
Ik ben Jeroen. Ik ben 19 jaar. Thuis zijn we met vier kinderen. Onze Koen, de oudste thuis, werd geboren met een ernstige lichamelijke en geestelijke handicap. Hij kon heel veel dingen niet. Zo kon hij niet praten, niet lezen, niet schrijven. Ook kon hij alleen korte stukjes lopen, vooral binnenshuis dan. Voor buiten had hij z’n rolstoel nodig. Hij had dus bij een heel aantal dingen onze hulp nodig. We hielpen hem bij het eten, zetten hem in bad, droegen hem naar boven naar zijn bed. En zo zijn er nog een heleboel dingen. Toen wij hier nog te jong voor waren, deden mijn ouders dit alles voor hem. Maar hoe ouder wij werden, hoe meer ook wij voor onze Koen konden doen. We groeiden geleidelijk aan met hem op, zorgden samen voor hem. Maar wat wij voor hem deden was bijna niets, vergeleken met wat hij voor ons betekende. Want de dingen die hij wél kon, kon hij zoveel beter dan wij : echt luisteren, samen lachen, maar ook samen wenen, een knuffel, een kus. Hij voelde ons enorm goed aan, wist wie uit zijn omgeving het goed meende met hem en met ons gezin en wie niet. Mensen die niet oprecht waren, liet hij links liggen. Maar wie echt was, gewoon zichzelf, aan die mensen gaf hij al wat hij kon geven. Zonder 1 woord te zeggen, leerde hij ons massa’s dingen die je op geen enkele school te horen krijgt. Wij leefden voor hem en hij voor ons. Thuis waren we haast geen individuen meer : wij waren wij, 1 tof gezin, met elkaar verbonden via onze Koen.
Maar dat bleef niet zo. Het is nu 5 jaar geleden. Papa en mama die ons van school kwamen halen. Koen in het ziekenhuis met een longoedeem. Er was vocht in zijn longen geraakt waardoor hij nog maar moeilijk kon ademen. Hij zou nog maar enkele uren leven, zeiden de dokters toen. Het leek allemaal zo onwerkelijk. Maar onze Koen vocht zich erdoor. Hij mocht na twee weken in het ziekenhuis terug naar huis. Om afscheid te nemen, want lang zou zijn hart het niet meer volhouden.
We wisten toen waar we voor stonden. En toch ook niet. Ik bleef hopen. Tevergeefs. Precies een jaar later was zijn hart op. Onze Koen stierf thuis, ’s nachts, met papa en mama vlak bij hem, heel rustig.
Daar stonden we dan. Een ketting waar een schakel uit weg was. Maar onze ketting zou stand houden. We namen ons voor om dit samen te verwerken. En dit scheen ook te lukken. Maar niet zo heel lang. Ieder van ons ging er anders mee om. Mama praatte heel veel over onze Koen, papa minder. Ik kon er niet tegen dat er over hem gepraat werd. Altijd in de verleden tijd. Alsof het allemaal mooi geweest was en verder niets. Ik ontkende het nog voor een groot stuk. Ik wilde niet verder. Ik hield het nog het liefst allemaal voor mezelf. Ik zat en lag uren en uren na elkaar op mijn kamer, luisterde muziek, liet m’n schoolwerk aanslepen. Stilletjes aan begon ik te ontdekken waar ik met mezelf stond. Nergens, zo leek het eerst in mijn ogen. Want al die jaren had ik geleefd voor onze Koen, voor ons gezin, meestal binnen onze vier huismuren. Een opstandige periode, puberteit had ik overgeslagen. Daarvoor had ik al veel te vroeg vrij veel verantwoordelijkheidszin aan de dag moeten leggen. Tijd om vrienden te maken, weg te gaan met vrienden, de ‘grote wondere wereld’ te ontdekken : ik had het allemaal aan me voorbij laten gaan. Geen echte vrienden rondom mij, geen hobby’s, niets. Het leek me toen onmogelijk om in mijn eentje te beginnen met dit alles op te bouwen. Maar moest ik alles alleen doen? Ik ging op zoek naar ‘houvastjes’ : ik nam deel aan een rouwgroep. Achteraf bekeken had ik daar niet zo heel veel aan. Maar het was wel de eerste keer dat ik er echt over praatte, er mee naar buiten kwam. En dat was een eerste stap. Ik ging ook een tijdje naar een psychologe, maar dat bleek al gauw niet te zijn wat ik nodig had. Zo begon ik voor mezelf wat af te tasten wat en wie ik nodig had. Na een deugddoende vakantie na m’n laatste jaar humaniora begon ik - een beetje overmoedig op dat moment - pedagogie te studeren in Leuven, een vijfjarige richting op universitair niveau. Ik gaf vrij snel op en besloot de rest van het jaar niet meer te studeren of te werken. Ik had tijd nodig; tijd voor mezelf. Tijd om alles op een rijtje te zetten en wat meer duidelijkheid te krijgen voor mezelf. In dat jaar kwam ik gelukkig in contact met de juiste mensen. Ik kreeg de kans om naar buiten te komen met mijn gevoelens; om alles wat ik zolang voor mezelf gehouden had, uit te spreken. Dat was enorm moeilijk, ik krabbelde regelmatig terug (nu nog vaak trouwens) maar ik voelde telkens opnieuw toch de drang om verder te gaan op de ingeslagen weg en niet langer meer bij de pakken te blijven zitten. Ik stelde me heel kwetsbaar op : daarover heb ik nu soms spijt. Maar alleen zo ben ik geraakt waar ik nu sta, denk ik. Doorheen die zoektocht ontdekte ik stilaan al de positieve kanten aan mijn jeugd samen met onze Koen. Ik leerde om verder te durven gaan. Een leven zonder Koen op te bouwen. Zonder dat onze Koen er uit verdwijnt. Want wie ik ben, heeft voor een heel groot stuk onze Koen bepaalt. Hij leeft dus eigenlijk verder in mij. Ik besef immers dat het enige dat ik nu nog voor hem kan doen, is : zijn heel eigen, toffe manier van leven proberen verder te zetten in mijn leven. Ik heb nog een hele weg voor de boeg, maar nu begin ik het gevoel te krijgen dat het me wel zal lukken, stapje voor stapje, met vallen en opstaan…
GETUIGENISSEN VAN 2 JONGEREN DIE VOOR DE 3de KEER DEELNAMEN AAN DE MISSING - YOU DAG
Lien
Rond 9u15 kom ik aan in de Romaanse Poort. Het is nu de derde Missing You-dag waar ik aan deel neem en toch ben ik zenuwachtig. Duizenden vragen en gedachten spoken door mijn hoofd: Zal er veel volk zijn? Had ik wel moeten komen? Zal ik nog andere mensen kennen die in hetzelfde groepje zitten als ik…?
Toch wat onzeker ga ik binnen. Ik ontvang een sticker met mijn naam op en een deelnemersmapje met daarin praktische informatie over het verloop van de dag, een hoop boekentitels en adressen over rouwen en verlies en enkele gedichten.
Terwijl ik verder loop, blader ik wat door dat mapje. In de gang staan nog wat jongeren. Ook zij staan wat rond te kijken, afwachtend over wat zal gebeuren. Al snel kom ik enkele mensen tegen die ik al eerder heb gezien op vorige Missing You-dagen of die samen met mij in een gespreksgroepje zitten. Ik voel me op slag een heel pak geruster. Uit de gesprekken die ik met hen voer, blijkt dat zo’n dag voor iedereen moeilijk en spannend blijft.
Voor ik het weet, is het 10u en wordt iedereen verwacht in de grote zaal. Daar wordt de dagindeling nog eens overlopen en dan vertrekt iedereen met zijn begeleiders naar een kleiner lokaaltje dat reeds mooi is ingericht met doeken, stenen en kaarsjes. We zetten ons allemaal neer en om te beginnen, vertelt iedereen kort wie hij is en wie hij verloren heeft. De namen van onze overleden broer, zus, moeder, vader, vriend, vriendin,… worden op een steen geschreven en in het midden gelegd. Dan komt er een eerste persoon getuigen. Tijdens de getuigenis mag iedereen die ergens op wil reageren of iets wil zeggen een steen nemen. Na de getuigenis kan iedereen dan goed zien bij wie er iets ‘op zijn/haar hart ligt’.
In de loop van de voormiddag komen er 3 mensen getuigen. Tussenin krijgen we allemaal de kans om ook ons verhaal te doen en we krijgen ook de tijd om naar de tentoonstelling ‘Honderd volle manen’ te gaan kijken. De voormiddag is dan ook voorbijgevlogen.
Tijdens de middagpauze is er een broodjeslunch in de grote zaal. Wat mij opvalt, is dat iedereen in de groepjes van de voormiddag blijft zitten en daar verder praat over wat in de voormiddag werd gezegd. Het is ongelooflijk hoe snel mensen zich aan elkaar hechten en op elkaar vertrouwen.
In de namiddag gaan we dan met hetzelfde groepje weer naar het kleinere lokaaltje dat ondertussen werd omgetoverd tot een klei-atelier. Niet goed wetend hoe dit zal verlopen, zetten we ons allemaal vol verwachting neer. We krijgen de opdracht om 3 stukken klei af te snijden: 1 groot, 1 middelmatig en 1 klein stuk. We beginnen met het grootste stuk; iedereen begint verwoed te kneden en op die klei te slaan. Na een tijdje merkt de begeleider op dat iedereen ondertussen onbewust zijn stuk klei in een bepaalde vorm heeft gekneed. Die vorm is een soort basisvorm die voorstelt hoe we ons vaak voelen.
Dan nemen we het middelste stuk klei; nu krijgen we toch wel een hele vreemde opdracht: we krijgen een half uur de tijd om doorheen het hele gebouw te lopen en het is de bedoeling dat we een detail van het gebouw of van een schilderij of zo namaken. Niet goed wetend wat de bedoeling hiervan is, lopen we maar wat rond. Ik begin te twijfelen of ik wel de juiste keuze heb gemaakt, want ik snap niet goed hoe dit een manier is om op creatieve manier met mijn verdriet om te gaan. Uiteindelijk vind ik iets dat me aanstaat; ik probeer het zo goed als ik kan na te maken en ga dan terug naar het lokaaltje.
Met het kleinste stukje moeten we tot slot iets uitbeelden dat ergens in ons ook wel aanwezig is, maar veel minder sterk dan het gevoelen van de basisvorm. Stilaan begin ik toch wel in te zien dat er wel meer achter zit dan gewoon wat knutselen met klei.
Tenslotte is het de bedoeling dat we met de 3 bekomen stukken klei een kunstwerk maken. We mogen ook alles terug bijeendoen en opnieuw beginnen. Zo komt iedereen tot zijn eigen kunstwerk.
Op het einde van de dag komt iedereen weer samen in de grote zaal en krijgen we nog allemaal een aandenken aan deze Missing You-dag. Buiten praat ik nog even na met andere jongeren die in een andere groep zaten. Zij vertellen wat zij gedaan hebben en ik geef wat uitleg over mijn creatie met klei. Uit dit gesprek kan ik besluiten dat ook zij angstig waren om ’s morgens te komen, maar uiteindelijk heel opgelucht naar huis gaan. Na een lange en vermoeiende dag keer ik tevreden terug naar huis.
Jeroen
‘ Een nieuw kleedje…’
Allerheiligen, Allerzielen, guur weer, vallende bladeren en verdorde takken, kerkhoven vol chrysanten,... Dat is november. Een kille maand, een maand waarin je geconfronteerd wordt met pijn, met verlies, met jouw verlies. Maar gelukkig draagt november sinds drie jaar ook iets goeds, iets warms in zich. Al drie jaar lang is november immers ook de maand waarin de ‘Missing You’-dag valt. Een dag met een beetje nabijheid, een vleugje troost, wat herkenning en erkenning. Een dag die de koude wat minder kou doet aanvoelen.
Al drie jaar na elkaar een ‘Missing You’-dag in november : Wordt dat geen routine ? Neen. Zeker en vast niet. Missing You wordt wél stilaan een geoliede machine, maar van routine is er geen sprake. Dat werd me dit jaar nog maar eens duidelijk. De organisatoren hadden de dag in een volledig nieuw kleedje gestoken. Een andere locatie, een andere aanpak van de werkwinkels, de getuigenissen in een andere vorm gegoten,…
Alles net een tikje anders… en beter !
Na een kort onthaal met verdeling van de verschillende groepjes, ging ieder groepje zijn eigen weg. Dit jaar waren er voor ‘t eerst drie duidelijk onderscheiden leeftijdscategorieën voor de groepjes. Dat zorgde al meteen voor een veel gerichtere aanpak. In de voormiddag kwamen er in elk groepje twee tot drie jongeren een getuigenis brengen over hun eigen verlieservaring. Dus geen frontale, schoolse situatie meer, maar een interactie tussen de getuige en de jongeren van één groepje. Ikzelf getuigde in de 19+ groep die voor de workshop ‘Vensters in de stad’ had gekozen. Het deed me deugd om in deze groep te mogen getuigen. En hopelijk was mijn verhaal voor deze jongeren een aanknopingspunt, gaf het hen ‘t gevoel van « O, maar daarmee sta ik voor mezelf al veel verder » of misschien ook « Ik moet nog een hele weg gaan, maar ik kom er wel uit ». Katelijne en Christine zetten onze groep een heel eind op weg. Dankjewel daarvoor. De briefjes die we naar elkaar schreven, zal ik ook niet snel vergeten. Een manier om aan een ander te laten voelen wat je maar moeilijk gezegd krijgt…
Ook de middagpauze had dit jaar iets anders dan anders. Naast de ‘traditionele’ broodjeslunch, kon je –als je wou- een wandeling maken doorheen knappe teksten en rake prenten rond rouw en verlies, verzameld in de tentoonstelling ‘100 Volle Manen’. Een vleugje poëzie dus en een lekker broodje om dan aan de slag te kunnen gaan in de workshop die je uitgekozen had. Ik koos voor ‘Vensters in de stad’, een workshop waarin we in duo’s Leuven introkken op zoek naar een venster. Niet zomaar om het even welk venster natuurlijk : we zochten het venster dat het best ons gevoel van dat moment kon weergeven. Dat venster werd vastgelegd op foto en achteraf uitgeprint. Een leuke herinnering aan deze dag en een beeld waaraan je voor jezelf een heleboel gevoelens kan koppelen. Toen we terug in de ‘Romaanse Poort’ aankwamen, zat de dag er al bijna op. Na een kort slotmoment, mocht iedereen nog een herinneringstekstje aan deze dag uitkiezen. Je kon nog een kijkje nemen in de vele boeken en infobrochures rond verlies en verdriet, of een praatje slaan met andere deelnemers met wie je doorheen deze dag heel wat ervaringen deelde.
Missing You 2003 : het nieuwe kleedje paste !
